Overslaan en naar de inhoud gaan

RUNDVEELOKET

Biestmanagement in de praktijk: knelpunten in beeld!


In VLAIO-project BiestBoost 2.0 werd het biestmanagement op 25 Vlaamse melk- en vleesveebedrijven onderzocht. Op de melkveebedrijven is er vaak voldoende biest van goede kwaliteit beschikbaar, maar blijkt het moment waarop het kalf de eerste biest krijgt een aandachtspunt. Bij vleesvee is het beeld bijna omgekeerd: de biest is van heel goede kwaliteit en wordt snel na geboorte verstrekt, maar de beschikbare hoeveelheid is vaak (te) beperkt.

Biestkwaliteit meten en er rekening mee houden gebeurt niet altijd en weinig rundveehouders voeren op regelmatige basis een biestcheck uit om de overdracht van passieve immuniteit te controleren (biestmanagement in Vlaanderen). Om zicht te krijgen op de knelpunten in biestmanagement werd in VLAIO-project BiestBoost 2.0 op 16 Vlaamse melkvee- en 9 vleesveebedrijven de biestproductie door de koe, de toediening van biest aan het kalf en de opname van antistoffen door het kalf opgevolgd.

De 16 melkveebedrijven en 9 vleesveebedrijven werden voor minstens drie maanden opgevolgd om mogelijke knelpunten in het biestmanagement in beeld te brengen. Na kalven nam de veehouder een bieststaal van de eerste biestbeurt (geproduceerd door het moederdier) en mat de biestkwaliteit met een digitale refractometer. Op elk bedrijf werden ook 30 bloedstalen genomen bij kalveren. Een vragenlijst van 82 vragen gaf inzicht in het actueel biestmanagement. In totaal werden zo 1146 kalvingen geregistreerd en 713 bloedstalen genomen bij de kalveren.

De eerste melkbeurt: volume en kwaliteit van de biest

Op de 16 melkveebedrijven werd bij de eerste melkbeurt gemiddeld 5,3 liter biest gemolken met een kwaliteit van 23.6 % brix. Op de 9 vleesveebedrijven bedroeg het gemiddeld volume 2,2 liter aan 26.7 % brix. Voldoende biest melken is dus regelmatig een knelpunt bij vleesvee.

Als de eerste melkbeurt slechts 2,0 liter opbrengt, is dit nipt voldoende voor de eerste biestgift aan het kalf. Een tweede melkbeurt kan hier dus een gevoelige meerwaarde zijn. Bij de vleesveehouders die een tweede keer melken, werd bij de eerste melkbeurt gemiddeld 1,8 liter gemolken aan 28,2 % brix. Bij de tweede melkbeurt werd gemiddeld 1,7 liter gemolken aan 23.5 % brix. Deze tweede melkbeurt is gemiddeld dus nog steeds van goede kwaliteit en kan nog aan het kalf verstrekt of als voorraad ingevroren worden.  Als de kwaliteit van de biest uit de eerste melkbeurt hoger is dan 22 % brix is het aangeraden om nog een tweede keer te melken. Zeker als je soms biest tekortkomt.

Tijd tot de eerste melkbeurt

De tijd tot de eerste melkbeurt heeft niet enkel effect op wanneer het kalf (verse) biest krijgt, maar ook op de kwaliteit van de biest. Na kalven stopt de overdracht van antistoffen van de moeder naar de biest en wordt de biest verdund door productie van gewone melk. Snel na kalven biest melken kan de immuniteit van je kalf dus echt een boost geven. Het kalf krijgt immers biest van betere kwaliteit op een moment dat het kalf de antistoffen ook nog beter kan opnemen. Streef ernaar om het kalf binnen de 6 uur na geboorte de eerste biest te verstrekken.

Tijd tot eerste melkbeurt


Figuur 1. Tijd (uur) tot de eerste melkbeurt na kalven

De tijd tot de eerste melkbeurt verschilt sterk tussen melk- en vleesvee (figuur 1). Bij vleesvee werd 96 % van de koeien binnen de eerste twee uur na kalven gemolken. Bij melkvee was dit slechts 43 %. Na de keizersnede bij BWB vleesvee wordt vrijwel altijd meteen gemolken. Bij melkvee zien we twee groepen veehouders. Veehouders die steeds zo snel mogelijk na kalven melken en veehouders die op 2 vaste momenten melken. In deze laatste groep zullen koeien die kalven net na de ochtend- of avondmelkbeurt lang moeten wachten tot ze voor het eerst gemolken worden bij de volgende melkbeurt (figuur 2).

Tijd tot melken tov tijdstip van kalven

Figuur 2. Tijd (uur) tot eerste melkbeurt ten opzichte van het tijdstip van kalven doorheen de dag voor melkvee. (rode lijn = conditioneel gemiddelde)

De tijd tot de eerste melkbeurt wordt ook bepaald door de gebruikte melkmachine. Op melkveebedrijven die een minimelker gebruiken worden koeien gemiddeld 2 uur sneller gemolken dan op melkveebedrijven die de gewone melkinstallatie gebruiken (1,7 uur na kalven tegenover 3,73 uur na kalven). Bij vleesvee bleek handmatig melken gemiddeld een (iets) lager volume biest op te leveren vergeleken met de minimelker. In biestkwaliteit en tijd tot de eerste melkbeurt was geen significant verschil tussen beide manieren van melken.

Conclusie

Streef ernaar om ieder kalf minstens 300 gram antistoffen (IgG) te verstrekken binnen de 24 uur na kalven, waarvan minstens 200 gram binnen de eerste 6 uur. Bij melkvee ligt de uitdaging hierbij vooral bij het tijdstip en de kwaliteit van de eerste biestverstrekking. Snel melken na kalven levert biest van betere kwaliteit die je sneller aan het kalf kan geven. Bij vleesvee vormt het volume biest de grootste uitdaging. Als de biestkwaliteit van de eerste melkbeurt goed is (> 22% brix) is een tweede keer melken absoluut aan te raden. Uiteraard verdienen de andere richtlijnen rond biestmanagement ook voldoende aandacht.

Alle resultaten uit het onderzoek en de bijhorende adviezen lees je in het tussentijds rapport ‘BiestBoost 2.0: Biestmanagement in de praktijk’

 

Partners BiestBoost 2.0

Partners BiestBoost 2.0